15 september t/m 28 oktober

DvhN – Column 5

Elke zondagmorgen om elf uur beginnen we, na het gezonde ontbijt, de dag met ‘Tussen geloof en ongeloof’. Een paar op de zondagstemming uitgezochte liedjes, een schriftlezing en een overweging.

We hebben Jacobine Geel op het thema ‘Alles is nieuw’, naar het gedicht van Ester Jansma, mensen tot tranen zien roeren en Hella heeft vorige week haar Preek voor de Leek gehouden. Met het aangrijpende verhaal van onze 70 jarige dorpsgenoot Ria die zich het lot van een Syrische vluchteling heeft aangetrokken.

Het is wat met dat zondagsgevoel en het wanhopige geworstel van mensen over het bestaan van God, het daaraan verbonden geloof en de daaruit voorvloeiende religies. Jacobine is de ‘God is dood’ discussie erover voorbij. Niet zozeer vanuit de gedachte dat iedereen het maar zelf moet weten, maar meer vanuit het idee je weet niet wat je mist.

Ik las ter voorbereiding op een bescheiden eerbetoon aan professor Gerardus van der Leeuw, Godsdienstfenomenoloog aan de RUG en leermeester van mijn vader, in zijn Einführung in die Phänomenologie der Religion (1925) over het ontstaan van religie. De Engelse missionaris Codrington nam in 1891 waar dat de Melanesiërs, voorouders van de Papoea’s, opmerkelijke verschijnselen in de natuur benoemden met het begrip ‘mana’. Een vijfde poot bij een schaap, een boom die meer vrucht droeg dan een ander. Iets buitengewoons dus, dat na verloop van tijd iets bovennatuurlijks werd genoemd en van profaan tot heilig promoveerde. Een plaats kreeg in de riten. Bovendien streefde de Melanesiër ernaar om in zijn eigen bestaan iets van ‘mana’ te verwerven. Iets buitengewoons in zichzelf te verwezenlijken.

Het opmerkelijke was dat aan deze cultus geen moraal vastzat. Een moraal die voor een stam, een volk of een gemeente geldt, wordt al snel als machtsmiddel gebruikt door priester, immam of de dominee. Daaraan is in ons Westelijk Europa de religie ten onder gegaan. Dom genoeg het kind (God) met het badwater weggooiend.

De grote religies hebben in hun machtstreven het onderwijs in verwondering verwaarloosd. Mensen ervaren het bovennatuurlijke niet meer omdat ze het uitzonderlijke niet meer zien. Zich niet meer kunnen verliezen in verwondering. Daar ligt een schone taak voor de kunst. Mensen weer leren kijken: Alles is nieuw!

Ik wens u een mooie zondag